Met het prentenboek Wonder geeft Mark Janssen een wat tegenstrijdige boodschap af. De lezer blijft zitten met de vraag wat nu het wonder is.
Gaat dit prentenboek over kunst of over de schepping? Het eenvoudigste antwoord is: over allebei. En dat valt best te rijmen, want een kunstenaar is immers ook een schepper. Toch blijft er iets wringen.
In Wonder gaat een ik in gesprek met Grote Kunstenaar ‘die de mens heeft bedacht’. De ik - of dat nu één of twee kinderen zijn, blijft in het midden - vindt de mens een beetje saai, ‘altijd de neus in het midden, twee ogen erboven en een mond eronder’. Bij deze tekst staan inderdaad erg realistische portretten van twee kinderen. Maar de eerste prent van het boek laat zien dat dit concept met vaste plaatsing van neus, twee ogen en een mond ook in een abstracte versie met tubetjes verf en penselen direct herkenbaar is als een gezicht. Hierop berust ook het heerlijke fenomeen paleidolie: onze hersenen zien gezichten in alledaagse voorwerpen, variërend van een boomstronk, een verkeersbord (de ‘mond’ van het eenrichtingsverkeersbord) tot en met een bord pap.
De ik wil graag wat variatie en leeft zich met verf en penseel uit in steeds kleurrijkere versies van een gezicht, met een groene huid en de zintuigen willekeurig in de ruimte geplaatst. Even lijkt het of Janssen ons naar het kubisme en verder de moderne kunst in leidt, maar dan volgt toch een andere afslag: de creaties van de ik worden niet zozeer abstracter als wel steeds exotischer, met vreemde wezens als resultaat. Ook Janssen hefet zich uitgeleefd: de kleuren en vormen spatten van de pagina’s af.
Maar dan nemen de wezens het over, beginnend met een knipoog. ‘Ze schilderen zichzelf’, schrikt de ik en roept de Grote Kunstenaar te hulp: ‘Ik wil terug naar het begin (…) gewoon normaal!’
Wat voor boodschap geeft Janssen hiermee nu precies? Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg? Probeer je niet te meten met de Grote Schepper? Verbeeld je vooral niet dat jij kunst kunt maken? Oké, de Grote Kunstenaar raadt de ik wel aan zijn/haar enthousiasme vooral vast te houden, maar niet te erg, lijkt het.
Op de laatste bladzijde komt opeens een andere boodschap. Niet de kunst of de verbeeldingskracht zijn het wonder, nee, de mens zelf (geschapen door de Grote Kunstenaar) is dat: ‘Ik vind mijn ontwerp eigenlijk helemaal niet saai (…) Jij bent een meesterwerk, een WONDER!’
Dat voelt na de exorbitante experimenteerdrift met verf en penseel eerlijk gezegd een beetje braaf en belegen.