De kleine prinses van Frances Hodgson Burnett is een klassiek verhaal over het goede leven. Door de frisse vertaling van Imme Dros blijft het een feest om te lezen.
Van Frances Hodgson Burnett (1849-1924) is De geheime tuin verreweg het meest beroemd. Deze klassieker uit 1911 verhaalt over twee verwende, maar vooral eenzame kinderen, Mary en Colin, die ontdooien door hun werk in een verwaarloosde tuin. Samen met de tuin bloeien ook de kinderen op. De moraal van het verhaal: niet rijkdom of status telt in het leven, maar vriendschap.
Een vergelijkbare moraal vinden we ook in De kleine lord (1886) en De kleine prinses (1905). Met dit verschil dat dit keer de hoofdpersonen zelf geen lesje hoeven te leren - die zijn namelijk voorbeeldig - maar de mensen om hen heen. De kleine prinses is eind vorig jaar verschenen in een frisse vertaling door Imme Dros, die eerder al de andere twee boeken vertaalde. Uitgeverij Leopold stak de boeken in een toepasselijk klassiek jasje, met goud op snee, een leeslint en leespagina’s met versierde raden.
Klassiek of niet, de vraag is of deze voorbeeldige boeken in onze tijd nog te verteren zijn. Het antwoord is wat mij betreft bevestigend. Dankzij het vakmanschap van Hodgson Burnett blijven de verhalen ondanks hun moraal prettig leesbaar. Dat komt vooral omdat haar hoofdpersonen weliswaar voorbeeldig zijn, maar ook menselijk blijven. Ze zijn niet onuitstaanbaar goed.
Bovendien heeft Sara Crewe, door haar vader liefkozend de kleine prinses genoemd, één eigenschap die mij als lezer bijzonder voor haar inneemt: haar liefde voor het verzinnen van verhalen. ‘Er is niets zo spannend als fantaseren. Het is bijna alsof je kunt toveren. Als je je maar net zolang iets voorstelt, lijkt het net echt.’ Haar verbeeldingskracht levert haar niet alleen enkele goede vriendinnen op, maar houdt haar ook overeind in moeilijke tijden.
Sara is zeven jaar als haar vader, weduwnaar en zeekapitein, haar vanuit India naar een Londense kostschool voor meisjes brengt. Aangezien haar vader schatrijk is, krijgt Sarah op school een speciale behandeling, met luxe kamers en een eigen dienstmeisje. Maar als hij berooid en bankroet sterft, moet Sara zelf als dienstmeid in de school werken. Directrice Minchin schept er waar genoegen in haar het leven zo zuur mogelijk te maken. Vanaf het begin heeft ze een hekel aan Sara, omdat ze geen vat op haar krijgt. ‘Het feit dat ze [Sara] nooit een brutaal antwoord gaf, leek juffrouw Minchin in feite al een brutaliteit.’ Sara doorziet haar kleinheid en onwaarachtigheid. ‘Dat mens staat papa te vleien’, zoals Imme Dros het lekker fris vertaalde. Tegelijkertijd blijft de vertaalster recht doen aan het origineel en wordt de taal nergens te modern, dat is knap gedaan.
Zelfs op haar tochtige zolderkamertje weet Sara de moed erin te houden. Ze wordt geen ‘vals kreng’, zoals ze ooit eens overpeinsde: ‘Ik weet niet hoe ik er ooit achter kan komen of ik nou echt een aardig kind ben of helemaal niet. Misschien ben ik wel een vals kreng, maar daar zal nooit iemand achterkomen, omdat ik nooit problemen of moeilijkheden heb die me op de proef stellen.’
Sara blijft zichzelf toespreken en corrigeren. Bijvoorbeeld dat ratten heus niet eng zijn en dat je daar best mee bevriend kunt raken. Ze probeert lichtpuntjes te blijven zien: wie anders dan zij kan vanuit het zolderraam zo’n mooie zonsondergang zien? En bovenal blijft ze fantaseren.
Natuurlijk keert het tij weer ten goede en de lezer weet dat veel eerder dan Sara - dat hoort nu eenmaal bij negentiende-eeuwse verhalen. Maar Sara’s dagen op de zolder bieden een mooie kleine filosofie van het goede leven: hoe kun je als mens het goede blijven doen ook als het tegen zit?