Hoe een dwangstoornis een schrijfprobleem werd

Ik moet dit doen
Maren Stoffels
Uitgever: Leopold
Jaar: 2020
Aantal blz.: 161
6,0

Sommige boeken zijn saai van keurigheid. Dat geldt voor Ik moet dit doen, het nieuwe jeugdboek van Maren Stoffels.

Ieder kind moet zich kunnen herkennen in een boek. Dat adagium is prima, maar maak er alstublieft wel literatuur van. Met alleen een relevant of actueel thema heb je nog geen goed verhaal. Die les had de jeugdliteratuur na de hausse aan probleemboeken in de jaren zeventig (‘kommer-en-kwel’ zoals de minder vleiende benaming destijds luidde) naar ik dacht wel geleerd. Maar bij het lezen van Ik moet dit doen wist ik het niet meer zo zeker. Op het thema - jongeren met dwangstoornissen – is weinig aan te merken, hooguit dat het genre sicklit over zijn hoogste toppen heen is. Maar haar behandeling van dit thema is zo keurig, dat het verhaal kraak noch smaak heeft.

Simon heeft sinds de dood van zijn oma een dwangstoornis: hij moet alles controleren en slaat op tilt bij het getal vier. Zijn ouders sturen hem naar een ‘dwangkamp’ in de hoop dat hij leert om met zijn stoornis om te gaan. Zelf vindt hij het maar niets en hij houdt zich zoveel mogelijk afzijdig van de andere jongeren. Toch begint hij Jasmin, een meisje met smetvrees, steeds aardiger te vinden. Als zij wegloopt, zet hij zijn angst opzij en doet hij alles om haar te vinden. Het verhaal wordt afwisselend vanuit Simon en Jasmin verteld, waardoor de lezer goed inzicht in hun dwanggedachten krijgt. Die zijn toegankelijk beschreven, maar op een gegeven moment sla je als lezer Simons dwangmatige cijferreeks over (1, 2, 3, 5, eerst dacht ik nog die jongen heeft iets met priemgetallen). Boeiend schrijven over een dwangstoornis valt kortom niet mee, immers, de personages hebben voortdurend dezelfde gedachten. Die simpelweg noteren is weliswaar adequaat, maar ook saai.

Stoffels’ concept doet denken aan het tv-programma Levenslang met dwang. En de schrijfster heeft voor haar research, zo vertelt ze in een uitgeversinterview, ook gepraat met de aan dit programma verbonden psychologe: ‘Ze wilde me graag helpen en heeft me veel verteld over hoe het is om dwang te hebben en wat voor soorten dwang er zijn. Zelf heb ik geen dwangstoornis, maar ik kan me voorstellen dat het je doodmoe maakt als je het hebt.’ Dat heeft ze over willen dragen op de lezer, maar het verhaal steunt te veel op die insteek en wordt nergens echt spannend.
Wat op tv misschien werkt, heeft op papier meer nodig. Karakters die meer zijn dan hun stoornis en stevige verhaallijnen. In dit boek is de plot mager en voorspelbaar, als op recept geschreven. Natuurlijk zijn er spanningen in de groep - al is het ongeloofwaardig dat de andere meiden Jasmin links laten liggen vanwege, jawel, haar stoornis en de groepsleiding dit niet aanpakt. Maar ja, Stoffels heeft dat gegeven nodig om Jasmins vlucht te rechtvaardigen. En natuurlijk maakt Simon een catharsis door (bij Jasmin is dat minder duidelijk). Dat is even voorspelbaar als hoopvol, maar de vraag is wel hoe realistisch dat is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Stoffels’ behandeling van de dwangstoornis daardoor net iets minder keurig wordt.
Stoffels’ enige verdienste met dit boek is dat ze een jeugdboek over een dwangstoornis heeft geschreven. Maar die waren er al en oneindig veel beter ook. Schildpadden tot in het oneindige van John Green of De onverwachte held van kamer 13B van Teresa Toten. Zij laten zien hoe een relevant thema slechts het startpunt is en niet het allesverterende recept.