Het testament van Rob Ruggenberg

Offerkind
Rob Ruggenberg
Uitgever: Querido
Jaar: 2020
Aantal blz.: 304
8,0

Spannende én historisch verantwoorde jeugdboeken, daarop had Rob Ruggenberg patent. Zijn laatste boek Offerkind is daar wederom een mooi voorbeeld van.

‘Dat antwoord is niet te vinden (…) daarom moest hij het zelf verzinnen.’
In de epiloog van zijn postuum verschenen jeugdboek Offerkind schrijft Rob Ruggenberg (1946-2019) in de derde persoon over zichzelf. Hij beschrijft hoe hij als ‘jonge jongen’ speelde in de weilanden en duinen van Wassenaar, onwetend van het drama dat zich daar vierduizend jaar eerder had afgespeeld. De resten van dat drama, een massagraf met twaalf skeletten, werden in 1987 blootgelegd. Waarom werden ze vermoord? Ruggenbergs boek is het antwoord, beter gezegd een mogelijk antwoord op die vraag.

Die ontroerende epiloog kun je, door het overlijden van de auteur vlak na het voltooien van het manuscript, haast niet anders meer lezen dan als Ruggenbergs testament: zó schrijf je historische jeugdboeken.
Ruggenberg koos altijd voor een thema waar wat aan te knagen viel. De historische feiten moesten niet voor zich spreken. Tegelijkertijd verdiepte hij zich grondig in die feiten, wat zijn personages deden, droegen, aten en dachten, moest kloppen met de laatste stand van de wetenschap. Voor een verhaal dat zoals Offerkind speelt in de vroege bronstijd is dat bepaald een opgave, want geschreven bronnen of schilderijen uit die tijd ontbreken. Des te knapper hoe beeldend Ruggenberg het alledaagse leven van toen weet te beschrijven, van het vangen van paling tot en met de geuren in en om het huis.

Aïn woont met haar familie op de hei. Haar wereld is aan de ene kant begrensd door moerassen en aan de andere door het Verboden Gebied met de grafheuvels. Ze zou er zijn gebleven als een rondtrekkende koopvrouw met haar verhalen bij Aïn niet het verlangen naar de zee, naar een ander leven heeft ingeblazen. Als ze op de vlucht slaat om een zware straf te ontlopen, weet ze waar ze naartoe wil: naar zee. Kraai, een bastaard met de donkere huidskleur van ‘het oude volk’ die zich nooit welkom heeft gevoeld bij de familie, gaat met haar mee. Er volgt een barre tocht door het moeras en over de rivier, waarbij de reisgenoten vaak ternauwernood weten te ontsnappen aan rondtrekkende bendes Jonge Wolven en wantrouwende stammen. Uiteindelijk bereiken ze de zee.

Dwars over vierduizend jaar heen weet Ruggenberg mensen van vlees en bloed neer te zetten, mensen met dezelfde verlangens, dromen en muizenissen als wij en dezelfde porties vriendelijkheid en vreemdelingenhaat. Of dat historisch verantwoord is? Geen mens die het kan navertellen, maar gelukkig heeft Ruggenberg het prachtig verzonnen.